Raad van Advies Aruba: gevangeniswetgeving na bijna veertig jaar nog altijd niet op orde

ORANJESTAD – Aruba slaagt er al bijna veertig jaar niet in om noodzakelijke gevangeniswetgeving in te voeren en de detentieomstandigheden aan internationale mensenrechtennormen te laten voldoen. Een wet die al in 2005 werd aangenomen, is ruim twintig jaar later nog altijd niet van kracht. Ondertussen verkeert gevangenis KIA in een ‘zorgwekkend slechte fysieke staat’.
De Raad van Advies spreekt in een nieuw rapport van een onbegrijpelijk gebrek aan voortvarendheid bij opeenvolgende regeringen en eist dat verbetering van het gevangeniswezen nu de hoogste prioriteit krijgt.
De kritiek staat in het jubileumadvies dat de Raad van Advies heeft uitgebracht ter gelegenheid van veertig jaar Status Aparte. Het adviesorgaan blikt daarin terug op de ontwikkeling van de Arubaanse rechtsstaat sinds 1986 en constateert dat vooral de bescherming van de rechten van gedetineerden ernstig tekortschiet.
Wet uit 2005 nog altijd niet ingevoerd
De voorbereiding van moderne gevangeniswetgeving begon al eind jaren tachtig. In 1993 bracht de Raad van Advies een eerste advies uit over de uitvoering van vrijheidsstraffen. Pas in 2005 werd de Landsverordening penitentiaire beginselen vastgesteld.
Daarmee was het werk echter niet afgerond. Het duurde nog eens tien jaar voordat de noodzakelijke invoeringsverordening voor advies werd aangeboden. In 2017 en 2018 volgden aanvullende regelingen voor onder meer het gevangenisregime, het gebruik van geweld door personeel, verlof voor gedetineerden en toegangscontroles.
Volgens de Raad is in 2026 geen van deze regelingen in werking getreden.
Het adviesorgaan noemt deze uitzonderlijk lange vertraging in strijd met het beginsel van rechtszekerheid. Juist gedetineerden bevinden zich in een afhankelijke positie en moeten kunnen rekenen op duidelijke wettelijke bescherming.
Mensenrechten al eerder geschonden
De problemen zijn niet nieuw. Het Europees Comité ter voorkoming van Foltering (CPT) bezocht Aruba in 1994, 2007 en 2014. Tijdens deze inspecties werden herhaaldelijk ernstige tekortkomingen vastgesteld die volgens het comité strijdig waren met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
In 2005 werd Nederland door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens veroordeeld vanwege de behandeling van een gedetineerde in het Korrektie Instituut Aruba (KIA).
In de zogenoemde Mathew-zaak stelde het Hof vast dat langdurige afzondering, ernstige gebreken in de detentieomstandigheden en onvoldoende medische zorg samen een schending vormden van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Dat artikel verbiedt foltering en onmenselijke of vernederende behandeling.
Volgens de Raad vormt deze uitspraak sindsdien een belangrijk juridisch ijkpunt voor de verantwoordelijkheid van de overheid tegenover gevangenen.
Nieuwbouw niet langer uit te stellen
Niet alleen de wetgeving blijft achter. Ook de fysieke staat van de gevangenis is volgens de Raad steeds verder verslechterd.
Achtereenvolgende regeringen presenteerden plannen voor de bouw van een nieuwe gevangenis, maar volgens het adviesorgaan bleef het bij voornemens.
De situatie is inmiddels zo ernstig dat de regering in de toelichting op de landsbegroting voor 2026 zelf erkent dat het bestaande gevangenisgebouw in een zorgwekkend slechte staat verkeert.
Volgens de begroting zijn tijdelijke reparaties en noodmaatregelen niet langer voldoende. Nieuwbouw wordt daarin niet langer als wenselijk, maar als noodzakelijk beschouwd.
De Raad vindt het onduidelijk hoe de regering de noodzakelijke verbeteringen denkt te realiseren en of daarvoor voldoende financiële middelen beschikbaar zijn.
Meer nodig dan een nieuwe gevangenis
Het adviesorgaan benadrukt dat nieuwe gebouwen en wetgeving alleen niet voldoende zijn om de problemen op te lossen.
Er moet ook worden geïnvesteerd in beter management van de gevangenis, opleiding en begeleiding van personeel, onafhankelijk toezicht en effectieve rechtsbescherming voor gedetineerden.
De overheid heeft volgens de Raad de verplichting iedere gevangene op een menswaardige manier te behandelen. Daarbij hoort ook passende medische zorg en een gevangenisregime dat voldoet aan internationale normen.
Het gebrek aan voortgang bij de gevangenishervormingen is volgens de Raad kenmerkend voor een breder probleem binnen het Arubaanse bestuur. Noodzakelijke veranderingen worden vaak pas doorgevoerd nadat internationale toezichthouders, Nederland of rechters druk uitoefenen.
Ook verantwoordelijkheid Koninkrijk
De Raad wijst erop dat de verantwoordelijkheid voor mensenrechten niet uitsluitend bij Aruba ligt. Hoewel het land zelf verantwoordelijk is voor de uitvoering van het gevangenisbeleid, heeft het Koninkrijk der Nederlanden op grond van artikel 43 van het Statuut een waarborgfunctie.
Het adviesorgaan verwijst daarbij ook naar rechterlijke uitspraken over detentieomstandigheden op Curaçao en Sint Maarten, waarbij is vastgesteld dat het Koninkrijk verantwoordelijkheid draagt voor de naleving van mensenrechtenverdragen.
De Raad pleit daarom voor betere samenwerking tussen de vier landen van het Koninkrijk om ernstige mensenrechtenschendingen te voorkomen en aan te pakken.
Na bijna veertig jaar discussie moet de overheid volgens het adviesorgaan eindelijk concrete stappen zetten. Het afronden van de gevangeniswetgeving en het daadwerkelijk verbeteren van de detentieomstandigheden mogen niet opnieuw worden uitgesteld.




























