Rechter: concrete feiten beslissend bij geschillen met Arubaanse douane

ORANJESTAD – De Arubaanse douane en importeurs moeten bij geschillen over invoerrechten hun standpunt kunnen onderbouwen met concrete gegevens over het ingevoerde goed. Algemene vergelijkingen, registraties of aannames zijn onvoldoende. Dat blijkt uit twee uitspraken die het Gerecht in Eerste Aanleg op dezelfde dag deed over een vissersboot en een Harley-Davidson.
In beide zaken stond een importeur tegenover de Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen. De zaken gingen over verschillende onderdelen van het douanerecht en kregen ook een verschillende uitkomst. Een commerciële visser verloor zijn zaak over de invoer van een boot, terwijl een importeur van een motorfiets juist gelijk kreeg van de rechter.
Vissersboot is juridisch geen vissersboot
De eerste zaak draaide om een Harris Cuttyhunk van 28 voet die vanuit de Verenigde Staten naar Aruba was gebracht. De eigenaar is geregistreerd als commercieel visser en gebruikt de boot voor zijn bedrijf. Hij vroeg daarom vrijstelling van invoerrechten voor een beroepsmatig vissersvaartuig.
De douane weigerde die vrijstelling. Volgens de Inspecteur was het schip voor de toepassing van het invoertarief geen vissersvaartuig, maar een plezier- of sportvaartuig.
De rechter gaf de douane gelijk. Doorslaggevend is niet waarvoor de eigenaar de boot gebruikt, maar welke objectieve kenmerken het vaartuig bij invoer heeft. De registraties en verklaringen die de visser overlegde zeggen vooral iets over zijn werkzaamheden en onvoldoende over de juridische indeling van de boot.
Volgens het Gerecht ontbraken kenmerkende voorzieningen voor beroepsvisserij, zoals een functioneel werkdek, vaste apparatuur om netten of lijnen binnen te halen, opslag- of koelruimten voor de vangst en hydraulische of mechanische visserijapparatuur. Dat de boot feitelijk voor visserij kan worden gebruikt, maakt hem voor de douane nog geen vissersvaartuig.
Douane schat Harley te hoog in
In de tweede zaak pakte dezelfde bewijsbenadering juist nadelig uit voor de douane.
Een Arubaanse importeur kocht in de Verenigde Staten een Harley-Davidson Road King uit 2002 voor 3.200 dollar. De douane accepteerde die koopprijs niet en stelde de douanewaarde zelf vast op 6.000 dollar. Daarbij gebruikte zij online vraagprijzen van vergelijkbare Harley-Davidsons.
De koper overlegde onder meer de verkoopovereenkomst, een betalingsbewijs, berichten met de verkoper en diens verklaring. De verkoper bevestigde bovendien dat de motor oorspronkelijk voor 5.500 dollar te koop stond, maar wegens geringe belangstelling uiteindelijk voor 3.200 dollar werd verkocht.
Volgens het Gerecht had de douane onvoldoende bewijs geleverd dat daadwerkelijk meer was betaald. De Inspecteur had zich vooral gebaseerd op algemene referentieprijzen en had geen onderzoek gedaan naar de concrete staat, kilometerstand en onderhoudsgeschiedenis van de ingevoerde motorfiets.
Daarom moet de douanewaarde alsnog op 3.200 dollar worden vastgesteld. De invoerrechten en andere heffingen moeten opnieuw worden berekend. De douane moet daarnaast 1.400 florin aan proceskosten en 25 florin griffierecht vergoeden.
Dezelfde maatstaf, verschillende winnaar
De twee uitspraken laten zien dat de bewijsregels bij douanezaken beide kanten op werken. Wie een bijzondere fiscale behandeling of vrijstelling vraagt, moet aannemelijk maken dat het ingevoerde goed daadwerkelijk aan de wettelijke kenmerken voldoet. Maar wanneer de douane zelf afwijkt van een opgegeven waarde, moet zij eveneens met concrete feiten kunnen aantonen waarom die waarde niet klopt.
Bij de vissersboot lukte dat de importeur niet. Bij de Harley-Davidson lukte het de douane niet.






























