Hoogleraren: cruciale bevoegdheid Rijksministerraad in HOFA ondeugdelijk

· - leestijd 3 minuten
Eerdere protesten tegen de HOFA op Aruba
Eerdere protesten tegen de HOFA op Aruba Foto: 24ora

ORANJESTAD – De Staten van Aruba kunnen volgens twee Nederlandse hoogleraren staatsrecht niet met een gewone meerderheid instemmen met de Rijkswet HOFA. Hansko Broeksteeg en Douwe Jan Elzinga stellen dat een cruciale bevoegdheid voor de Rijksministerraad staatsrechtelijk ondeugdelijk is. Voor aanvaarding van de wet zou daarom minimaal een tweederdemeerderheid nodig zijn.

De hoogleraren komen tot die conclusie in een beschouwing over het advies van de Raad van State van het Koninkrijk over de consensusrijkswet HOFA. De wet moet het toekomstige financiële toezicht op Aruba regelen.

Broeksteeg is hoogleraar staatsrecht aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Elzinga is emeritus hoogleraar staatsrecht van de Rijksuniversiteit Groningen en de Universiteit van Aruba.

Goedkeuring door Rijksministerraad

Hun belangrijkste bezwaar betreft de bevoegdheid van de Rijksministerraad om wijzigingen van de Arubaanse landsverordening met financiële normen goed te keuren. Volgens de hoogleraren past die constructie niet binnen de algemeen aanvaarde staatsrechtelijke regels.

Een ministerraad is volgens hen in beginsel een intern besluitvormingsorgaan. Besluiten die rechtstreeks gevolgen hebben voor andere partijen, moeten worden omgezet in een formele rechtsvorm, zoals een wet, koninklijk besluit of algemene maatregel van bestuur.

Het wetsvoorstel voor HOFA wijkt daarvan af. De Rijksministerraad krijgt daarin rechtstreeks invloed op wijzigingen van Arubaanse wetgeving. Dat is volgens Broeksteeg en Elzinga staatsrechtelijk onjuist.

De hoogleraren waarschuwen ook voor precedentwerking. Wanneer deze constructie bij Aruba wordt aanvaard, zou een vergelijkbare bevoegdheid later ook kunnen worden gebruikt bij andere onderwerpen of tegenover Curaçao en Sint-Maarten.

Tweederdemeerderheid nodig

De Arubaanse Staatsregeling bepaalt dat landsverordeningen gezamenlijk door de regering en de Staten worden vastgesteld. De Rijksministerraad heeft daarin geen rol.

Omdat HOFA volgens de auteurs afwijkt van die regeling, kunnen de Staten niet met een gewone meerderheid met de consensusrijkswet instemmen. Daarvoor zou minimaal een tweederdemeerderheid nodig zijn. Een staatsrechtelijk zuiverder oplossing zou volgens hen zijn om eerst de Staatsregeling te wijzigen.

De Raad van Advies van Aruba kwam eerder met vergelijkbare kritiek. Broeksteeg en Elzinga vinden dat de Raad van State van het Koninkrijk daar onvoldoende inhoudelijk op is ingegaan.

Advies stelt teleur

De hoogleraren noemen het advies van de Raad van State teleurstellend vanwege het gebrek aan staatsrechtelijke diepgang. Volgens hen besteedt het advies wel aandacht aan financiële en organisatorische onderdelen, maar nauwelijks aan de gevolgen voor de autonomie van Aruba en de bijzondere positie van een consensusrijkswet.

Ook vinden zij dat de Raad van State onvoldoende ingaat op de vraag of Aruba werkelijk vrijwillig met het toezicht instemt. De invoering van HOFA hangt samen met gunstigere leenmogelijkheden bij Nederland. Daardoor is volgens de auteurs sprake van een ongelijke ruil: Aruba krijgt financiële voordelen, maar levert daarvoor een deel van zijn autonomie in.

In theorie vereist een consensusrijkswet voortdurende instemming van alle betrokken landen. In de praktijk is Nederland volgens de hoogleraren de dominante partij, omdat het binnen de Koninkrijksorganen de meeste invloed heeft en over de financiële middelen beschikt.

Tijdelijkheid onzeker

Het HOFA-toezicht wordt als tijdelijk gepresenteerd, maar volgens Broeksteeg en Elzinga is allerminst zeker dat Aruba er daadwerkelijk vanaf kan komen.

Na drie jaar voldoen aan de financiële normen kan Aruba verzoeken om lichter toezicht of beëindiging van de regeling. De uiteindelijke beslissing blijft echter bij de Rijksministerraad. Aruba kan HOFA niet eenzijdig opzeggen.

Zelfs wanneer het land meerdere jaren aan alle voorwaarden voldoet, bestaat volgens de hoogleraren geen garantie dat het toezicht wordt beëindigd. Daarbij kunnen ook de positie van Curaçao en Sint-Maarten en nieuwe financiële of geopolitieke omstandigheden worden meegewogen.

De auteurs wijzen verder op de beperkte rechtsbescherming. Wanneer de Rijksministerraad weigert het toezicht te beëindigen, kan Aruba daar volgens hen niet tegen in beroep bij een onafhankelijke rechter.

Bestaand toezicht levert resultaten op

Broeksteeg en Elzinga vragen zich ook af waarom een nieuw en verdergaand toezichtsregime nodig is. Aruba staat sinds 2015 onder financieel toezicht op basis van de Landsverordening Aruba Financieel Toezicht.

Dat bestaande stelsel heeft volgens hen aantoonbare resultaten opgeleverd. De schuldquote van Aruba bedroeg eind maart 2026 ongeveer 61 procent van het bruto binnenlands product. Daarmee lag de schuldquote onder het niveau van vóór de coronacrisis en koerste Aruba op het laagste percentage sinds 2011. Ook heeft het land begrotingsoverschotten gerealiseerd en de nominale schuld verlaagd.

De hoogleraren vinden daarom dat opnieuw moet worden afgewogen of de financiële voordelen van HOFA opwegen tegen de beperking van de Arubaanse autonomie. Zij vragen zich af waarom Nederland de herfinanciering van dure Arubaanse leningen niet mogelijk maakt zonder daar het nieuwe toezicht als voorwaarde aan te verbinden.

De kritiek van Broeksteeg en Elzinga is een staatsrechtelijke beoordeling en geen rechterlijke uitspraak. Uiteindelijk moeten de Staten van Aruba zelf beslissen of zij instemmen met de verdere behandeling van de consensusrijkswet.


165 keer gelezen

Deel dit artikel: