Oud-minister Oduber stapt naar Hoge Raad na veroordeling in zaak-Flamingo

ORANJESTAD – Oud-minister Otmar Oduber gaat in cassatie tegen zijn veroordeling tot twee jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf in de zaak-Flamingo. Dat heeft hij dinsdag bekendgemaakt. Een dag eerder zei Oduber nog dat hij eerst juridisch advies wilde voordat hij zou besluiten of hij de zaak aan de Hoge Raad voorlegt.
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie veroordeelde Oduber donderdag 17 september in hoger beroep. Naast de gevangenisstraf mag hij vijf jaar geen ambtelijke functie bekleden en zich gedurende vijf jaar niet verkiesbaar stellen voor een algemeen vertegenwoordigend orgaan. Oduber en het Openbaar Ministerie hebben twee weken om cassatie in te stellen.
In een verklaring aan de Arubaanse bevolking zegt Oduber dat hij de uitspraak van het Hof respecteert, maar de veroordeling niet accepteert. „Een veroordeling kan mij mijn vrijheid afnemen, maar niet mijn recht om mij te verdedigen”, aldus de oud-minister. Hij zegt alle beschikbare juridische mogelijkheden te willen benutten.
Oduber koppelt zijn strafzaak daarbij opnieuw aan een bredere discussie over de positie van Aruba binnen het Koninkrijk. Volgens hem bestaan er verschillen tussen de juridische bescherming van bewindslieden in Nederland en Aruba. Hij stelt dat ministers binnen hetzelfde Koninkrijk dezelfde constitutionele waarborgen zouden moeten hebben.
„Ik vraag niet om straffeloosheid, maar ik eis wel gelijkheid”, zegt Oduber. Volgens hem mogen binnen het Koninkrijk geen burgers of landen van de eerste en tweede categorie bestaan.
Het Hof heeft in de strafzaak anders geoordeeld over de handelwijze van Oduber. Het achtte onder meer oplichting, ambtelijke omkoping en misbruik van zijn ministeriële functie bewezen. Tegelijkertijd werd hij van een deel van de beschuldigingen vrijgesproken.
Een belangrijk onderdeel van de zaak betreft twee zogenoemde spookambtenaren die een arbeidsovereenkomst met het Land Aruba hadden. Volgens het Hof werden zij uit publieke middelen betaald zonder dat zij daadwerkelijk de overeengekomen werkzaamheden voor het Land verrichtten. Het Hof oordeelde dat de bestuurlijke vrijheid van een minister om vertrouwenspersonen aan te stellen niet zover gaat dat salarissen mogen worden betaald zonder dat het afgesproken werk wordt uitgevoerd.
Oduber bestrijdt dat zijn handelen door persoonlijk gewin werd ingegeven. Volgens hem hadden de beslissingen waarvoor hij is veroordeeld betrekking op zijn werk als minister en op het helpen van mensen aan onder meer werk en huisvesting. Maandag zei hij al dat volgens hem bestuurlijke praktijken die jarenlang als normaal werden beschouwd, achteraf strafrechtelijk tegen hem zijn gebruikt.
Die lezing wordt door het Hof niet gevolgd. Bij het bepalen van de straf woog het Hof juist zwaar mee dat Oduber als minister een bijzondere verantwoordelijkheid had en dat de bewezen feiten de integriteit van het openbaar bestuur aantasten. Wel hield het Hof rekening met de lange duur van de strafzaak en de grote hoeveelheid publiciteit rond Oduber.
In eerste aanleg was Oduber in januari 2025 veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf, waarvan 319 dagen voorwaardelijk, en 240 uur taakstraf. Zowel hijzelf als het Openbaar Ministerie ging daartegen in hoger beroep. Het OM eiste drie jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het Hof kwam uiteindelijk uit op twee jaar.
Met zijn besluit tot cassatie is de strafzaak daarmee nog niet definitief afgerond. In cassatie wordt niet opnieuw de hele feitenzaak behandeld, maar wordt beoordeeld of het recht juist is toegepast en of de uitspraak voldoende en volgens de wettelijke regels is gemotiveerd.





























