
ORANJESTAD – De daling van de internationale olieprijzen wordt in Aruba niet volledig doorgegeven aan de automobilist. De regering gebruikt de ontstane ruimte om de accijns op benzine en diesel fors te verhogen, terwijl de eerder vastgestelde pompprijzen ongewijzigd blijven.
Dat blijkt uit een besluit van minister van Financiën Geoffrey Wever, gepubliceerd in de Landscourant van Aruba.
De accijns op benzine is per 8 juli verhoogd van 36,80 naar 50 florin per hectoliter. Dat is bijna 40 cent per liter. Voor diesel stijgt het tarief veel sterker: van 3,40 florin eerder naar 30 florin per hectoliter nu, 30 cent per liter.
Daling naar schatkist
De regering motiveert de verhoging met de daling van de gemiddelde internationale marktprijzen voor benzine, diesel en kerosine in juni. Die daling wordt gebruikt om de accijnsinkomsten te verhogen, zonder dat consumenten met hogere pompprijzen worden geconfronteerd.
De pompprijzen zelf waren al bekendgemaakt. Nieuw is dat de prijsdaling op de internationale markt dus niet leidt tot een even grote verlaging aan de pomp. Een deel van het voordeel vloeit naar de schatkist.
Tijdelijke accijnsverlaging afgebouwd
Aruba verlaagde de brandstofaccijnzen in april, nadat de internationale olieprijzen sterk waren gestegen. Voor diesel werd het accijnstarief zelfs tijdelijk op nul gezet.
In juni werden de tarieven al aangepast naar 36,80 florin per hectoliter voor benzine en 3,40 florin voor diesel. Met de nieuwe verhoging worden de tijdelijke kortingen verder afgebouwd.
De aangepaste tarieven blijven gelden tot en met 11 augustus. Daarna keren de accijnzen automatisch terug naar het reguliere niveau van 61,40 florin per hectoliter voor benzine en 33,30 florin voor diesel, tenzij de regering opnieuw ingrijpt.
De kern van de maatregel is daarmee dat de overheid de daling op de wereldmarkt deels opvangt met hogere accijnzen. Voor de automobilist verandert de pompprijs niet, maar het mogelijke voordeel van goedkopere olie wordt wel kleiner.




























