
Terwijl Aruba publiekelijk blijft hameren op autonomie, onafhankelijk financieel beleid en minder Nederlandse invloed, heeft het land deze maand op de internationale kapitaalmarkt een lening afgesloten die de Arubaanse belastingbetaler waarschijnlijk tientallen miljoenen extra gaat kosten.
Redactioneel commentaar
Dat blijkt uit het recent gepubliceerde Landsbesluit Financieringsbehoefte 2026-I. Aruba leent daarin 160 miljoen dollar via de Amerikaanse kapitaalmarkt, met Citigroup Global Markets Inc. als financieel agent. De lening loopt tien jaar en kent een rente van maar liefst 6,29 procent.
Dat percentage klinkt technisch. Maar de gevolgen zijn zeer concreet.
Bij deze rente betaalt Aruba jaarlijks ruim 10 miljoen dollar aan rente. Over tien jaar loopt dat op tot meer dan 100 miljoen dollar aan rentelasten alleen al, nog los van de aflossing van de hoofdsom.
En precies daar wringt het politieke verhaal.
Rentelasten
Want binnen de nieuwe consensusrijkswet HOFA, de wet die juist bedoeld is om Aruba toegang te geven tot goedkopere financiering via Nederland, zouden de rentelasten vermoedelijk veel lager hebben gelegen. In eerdere constructies voor Curaçao en Sint-Maarten lagen rentetarieven rond ongeveer 3 tot 3,5 procent. Dat is bijna de helft van wat Aruba nu betaalt.
Als Aruba tegen bijvoorbeeld 3,4 procent had kunnen lenen, zou de jaarlijkse rente ongeveer 5,4 miljoen dollar bedragen in plaats van ruim 10 miljoen. Het verschil: ongeveer 4,6 miljoen dollar extra per jaar.
Over de volledige looptijd praat je dan over ongeveer 46 miljoen dollar extra rentekosten. Omgerekend meer dan 82 miljoen Arubaanse florin.
82 miljoen florin.
Dat is geld dat niet naar onderwijs gaat. Niet naar zorg. Niet naar infrastructuur. Niet naar armoedebestrijding. Niet naar woningbouw. Niet naar versterking van de overheid waar juist zoveel problemen bestaan.
Dat geld verdwijnt naar financieringskosten.
En dat maakt deze lening politiek veel relevanter dan het droge Afkondigingsblad doet vermoeden.
Want de discussie over HOFA wordt in Aruba vaak gebracht als een principiële strijd over autonomie en Nederlandse bemoeienis. Maar financiële markten kijken niet naar emotie of nationale trots. Zij kijken naar risico.
En kleine eiland-economieën met hoge schulden betalen nu eenmaal hogere rentes dan Nederland.
Dat is geen politiek standpunt. Dat is financiële realiteit.
HOFA-constructie
Natuurlijk moet daarbij eerlijk worden gezegd dat de volledige HOFA-constructie nog niet operationeel is. De consensusrijkswet ligt nog bij de Raad van State van het Koninkrijk. Aruba kon vermoedelijk dus nog niet volledig gebruikmaken van de Nederlandse leenfaciliteit.
Maar juist daarom is deze lening zo interessant. Zij laat namelijk zien wat autonomie op financiële markten daadwerkelijk kost wanneer een klein land zonder Nederlandse garantie moet lenen.
Het confronteert Aruba met een ongemakkelijke waarheid die in het politieke debat vaak onder tafel blijft: autonomie is niet gratis. Sterker nog: financiële autonomie zonder sterke overheidsfinanciën kan extreem duur worden.
En dat gebeurt op een moment waarop dezelfde overheid tegelijkertijd worstelt met structurele problemen in financieel beheer, begrotingscontrole en transparantie, precies de punten waarop de Algemene Rekenkamer recent vernietigend uithaalde.
De ironie is daardoor bijna pijnlijk.
Aan de ene kant klinkt politiek verzet tegen toezicht en Nederlandse invloed. Aan de andere kant dwingen de financiële markten Aruba tot voorwaarden die uiteindelijk veel harder aankomen dan Haagse discussies ooit doen.
Want markten onderhandelen niet. Zij rekenen gewoon rente.



























